Geen pleidooi voor de psychose

Eigenlijk wilde ik voor de paraweek een pleidooi houden voor de herwaardering van de psychose als iets wonderlijks.

Ik wilde Foucault erbij halen, met zijn klassieke Geschiedenis van de waanzin, en beweren dat we zo gewend zijn om in medische termen te denken over extreme gemoedstoestanden, als ‘geestesstoornissen’ of ‘geestesziekte’, dat we ons niet meer kunnen voorstellen dat je er ook anders over kunt denken.

De term ‘sociale constructie’ had ik laten vallen: wat ‘normaal’ is wordt bepaald binnen een sociale context en kan dus verschuiven. Kijk maar naar homoseksualiteit, dat stond tussen 1952 en 1974 nog als geestesstoornis in de psychologenbijbel DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). En kijk eens naar al die heiligen, profeten en sjamanen, met hun visioenen van goddelijke verschijningen. Dat zouden we nu auditieve en visuele hallucinaties noemen, en de heilige of profeet zou medicatie voorgeschoteld krijgen in plaats van een bedevaartsoord.

De antipsychiaters van de zestiger en zeventiger jaren had ik geciteerd; mensen als David Cooper, Jan Foudraine en R.D. Laing, die de psychose zagen als een reis waar je verrijkt uitkomt, een poging van het door een repressieve maatschappij verdrukte individu om zijn ware zelf te vinden. Zij zochten naar de zin in de waanzin, de betekenis in de ogenschijnlijke wartaal van schizofrenen. Zo wilde patiënt ‘Walter’ (pseudoniem) volgens Foudraine met de uitspraak ‘Ik verdroomde in die wereld van vlugge kwieke bolletjes’ eigenlijk aangeven dat hij moeilijkheden had met het aangaan van ‘intermenselijke relaties’. Zulke vertaalarbeid noemden de antipsychiaters to schizophrenese. Het moet hen het gevoel hebben gegeven dat ze een nieuwe stam ontdekten die alleen zij begrepen.

Ook filosoof/ervaringsdeskundige Wouter Kusters was langsgekomen. Kusters laat in zijn boek Pure Waanzin (2004) zien ‘hoe normaal en verleidelijk het psychotische kan zijn en hoe vreemd het normale soms is’. Hij heeft het consequent over ‘de psychoot’, ‘psychoten’, en ‘gekken’ – geuzennamen waarmee hij de hedendaagse medicaliserende benadering tegen wil gaan. Kusters vindt dat de psychose er in de meeste egodocumenten te slecht vanaf komt: als iets onbegrijpelijks ‘óf als iets heel ergs’. Zijn eigen psychose benadert hij in de eerste plaats met verwondering, en ook wel met bewondering. Psychoten zijn vrijer dan de doorsnee mens, aldus Kusters: ‘Ze doen waar ze op het moment zelf zin in hebben, zonder daarbij met de gevolgen op lange termijn rekening te houden.’ Sociale conventies en langetermijnplanning, daar maakt de psychoot een lange neus naar. Bovendien verkeert de psychoot in langdurige extases waar niet-psychoten alleen maar van kunnen dromen.

Ten slotte had ik de poëtische taaluitingen en associatieve gedachtegangen van de psychoot aangehaald. Zoals deze gedachten van Kusters tijdens een psychotische episode:

Uit de bloem komt een bij tevoorschijn, bij de bij vliegt de wesp. De wesp staat voor de WASP. De White Anglo-Saxon Protestant. De bloem der natie van de Amerikanen. Nederlanders hebben andere bloemen, tulpen, tulips, two lips. Met hun dubbele lippen zijn Nederlanders hartstochtelijker dan de stekelige Amerikanen. [cursivering in origineel]

De duistere kant van de psychose

Maar hoe wonderlijk en bevrijdend een psychotisch wereldbeeld ook mag lijken, uiteindelijk kan ik niet achter een bewonderend pleidooi voor de psychose staan.

Ik word namelijk gestalkt door iemand met psychotische problemen. Hij heeft erotomane wanen: zonder dat daar aanleiding toe is, gelooft hij dat ik stiekem verliefd op hem ben. Hij heeft betrekkingswanen: alles wat ik ooit gezegd heb, alles wat ik ooit online heb gezet, de stalker ziet het als een verhulde liefdesverklaring, of op zijn minst als een poging tot communicatie van mijn kant. Hij weet zeker dat ik hem probeer aan te spreken, via een audioverhaal, via mijn Facebook-profielfoto, via een gedicht dat ik jaren geleden schreef. Het stadium van verliefde dwaas is de stalker ver voorbij. Een contactverbod probeerde hij te omzeilen door in plaats van mij mijn vriend te mailen, door een e-mailadres aan te maken met de naam van een fictief personage uit het audioverhaal, en daarna nog maar eens met de naam van een ander fictieve figuur. Duizenden mails heb ik ontvangen, plus een aantal keurig geadresseerde brieven op mijn werk.

Gestalkt worden is een claustrofobische ervaring. Het is alsof er steeds een stukje van je leefruimte wordt afgesneden, zodat je steeds minder ruimte overhoudt die van jezelf is, minder ruimte om te ademen. Het is ook een paranoïde ervaring. Iemand probeert in je hoofd te kruipen en daar alles omver te schoppen. Je voelt je bekeken. Je wordt ook bekeken, de stalker zorgt er wel voor dat hij je dat laat weten.

Als je zelf last hebt van een psychose, of dat nu is door de psychose in je eigen hoofd of in dat van een ander, zal je er niet snel een lofzang op zingen. Ik heb moeite om de psychotische taal van Wouter Kusters nog bijzonder te vinden, omdat het dezelfde taal is die de stalker spreekt. Vrije associaties, woordspelletjes, klanken losgezongen van hun afgesproken betekenis – heel poëtisch allemaal, maar voor mij is het nu misselijkmakend. Leuk voor je, Wouter, denk ik, als hij de vrijheid beschrijft die hij ervoer doordat hij de sociale conventies doorbrak, de fatsoensnormen, de geldige regels, maar hoe was dat voor je omgeving? Sociale conventies, fatsoensnormen en regels zijn misschien beperkend, maar ze beschermen ons ook tegen de willekeur en agressiviteit van elkaars gedachtewereld.

Als je aan de goede kant van de psychose zit, is het een stuk makkelijker om het te romantiseren. Als je, zoals Foudraine, ‘fascinerende’ patiënten behandelt, die nooit werkelijk een bedreiging voor je vormen en wiens taal je kunt ontcijferen. Of als je, zoals Kusters, uit je psychose bent gekomen en nu rustig over je buitengewone ervaringen kunt filosoferen. Kusters geeft zelf toe dat zijn psychose niet van het naarste soort was en dat het beeld dat hij schetst aan de rooskleurige kant is:

Ten slotte was mijn psychose eerder manisch en euforisch dan depressief en angstig, waardoor de schaduwzijden in mijn verhaal minder aan bod komen. Ik zal vooral de interessante positieve aspecten beschrijven, zonder daarmee te willen suggereren dat een psychose voor iedereen een pretje is.

De psychose is vooral interessant voor wie er een veilige afstand van heeft, maar ook midden in een euforische psychose is het niet moeilijk de zonnige kant te ervaren van deze geestestoestand, zoals Kusters in Pure Waanzin beschrijft. De anderen zijn gek, niet jij, zij zijn geremd en beperkt, zij zien niet wat jij kunt zien. Jij bent als enige uit de grot van Plato gebroken en kunt achter de verschijnselen kijken. Maar die euforie houdt geen stand.

Het is niet voor niets dat Kusters in de egodocumenten zo veel negatieve verhalen tegenkwam: het controleverlies, het niet stil kunnen zetten van je gedachten, het leven in een andere wereld dan de mensen om je heen – als je daar niet filosofisch mee om kunt gaan zoals Kusters dat kon, als je niet zijn interesse deelt in het sublieme, dan wordt het al snel beangstigend. ‘Je leeft in een fantasiewereld, en geen leuke fantasiewereld,’ zegt ervaringsdeskundige Caspar in een verhaal op de site van de NOS. Daan Muntjewerf schrijft in Tegen de tijdgeest. Terugzien op een psychose(2011): ‘[H]oeveel kanttekeningen ik ook kan plaatsen, ik ben boven alles blij dat ik in 2003 opgenomen ben tijdens mijn episode. (…) Als mijn gedrag en gevoel van paniek nog een paar dagen langer hadden geduurd, dan was ik er nu niet meer geweest, daar ben ik van overtuigd.’ Zelfmoord is onder psychotici niet zeldzaam. Zowel Laing als Foudraine hebben het over de eenzaamheid en de wanhoop van hun psychotische patiënten. Foudraines Walter slikte uiteindelijk een groot stuk zeep door, waarschijnlijk in een poging zichzelf te reinigen. Walter stierf daarbij.

Een psychotische wereld

Van depressievelingen wordt wel gezegd dat ze realistischer denken dan optimistische ingestelde mensen. Wie niet depressief is, houdt zichzelf eigenlijk voortdurend voor de gek door níet te denken aan de zinloosheid van het bestaan en aan de onvermijdelijke vergankelijkheid van alles wat leeft en wat mooi is. Maar niemand wil depressief zijn, ook niet een beetje. Een beetje psychotisch lijken we daarentegen wel te willen zijn. We zijn gefascineerd door hallucinogene middelen, psychedelische muziek (The Doors), boeken (Alice in Wonderland) en films (Fear and Loathing in Las Vegas) zijn populair. We lezen de theorieën van de complotdenkers. We zijn jaloers op de waanzinnig verliefden.

Deze wereld is ook om een beetje psychotisch van te worden. Wie tegenwoordig denkt dat hij afgeluisterd wordt, is geen paranoïde schizofreen meer, maar goed geïnformeerd. Voor wie gelooft in aliens, in een links complot of dat de apocalyptische eindstrijd is aangebroken, is er een grotere stroming om bij aan te haken; bij Scientology, Wilders of IS. Je mag heel wat psychotische symptomen vertonen voordat een gedwongen opname volgt. Te veel, volgens Daan Muntjewerf: ‘Pas als de gezondheid, integriteit of veiligheid ernstig in gevaar is of er een risico dreigt voor het eigen of andermans leven, komt men in aanmerking voor een opname. En omdat het dus eerst ernstig uit de hand moet lopen, wordt de politie onderdeel van de route naar een inrichting. Terwijl veel eerder in dit proces symptomen zijn te signaleren die een opname rechtvaardigen.’

Wie echt diep in een psychose zit, zoals Daan, die staat alleen. Zijn visie op de wereld en de connecties die hij legt zijn te idiosyncratisch om door anderen gevolgd te worden. Zo’n gedachtewereld leidt onvermijdelijk vroeger of later tot problemen. De antipsychiaters bewonderden de psychose dan wel, de meesten wilden mensen er toch ook van genezen, weer terug laten keren in sociale verbanden. De psychotische staat werd ook door hen niet gezien als iets wat vol te houden is.

Kijkend naar de ervaringen van Daan, Caspar en ‘Walter’ lijkt me dat terecht. Wie per se een kleine psychotische ervaring wil kan drugs gebruiken. Een heftiger, langdurige psychose is niet iets om te idealiseren. Het wonderlijke weegt zelden op tegen het duistere. Ook Kusters’ Pure Waanzin eindigt met kanttekeningen, hij wil weliswaar meer acceptatie van ‘de waanzin’, maar het geromantiseerde beeld van de antipsychiaters gaat hem te ver.

Mijn idee om een romantiserend stuk te schrijven kwam voort uit de overdaad aan antipsychiatrische teksten die ik tot me had genomen. Hun enthousiasme voor de psychose is aanstekelijk, maar verraderlijk; een kleine waan. Ik moest persoonlijk geconfronteerd worden met de duistere kant van de psychose om me daaruit los te maken.

Even heb ik overwogen om ook dit stuk niet te schrijven. Heel even. Toen besloot ik mijn ademruimte weer op te eisen.

 

Illustratie: Lisa-Marie van Barneveld

Dit stuk verscheen op 2 juni 2015 op hard//hoofd.

 

 

2 gedachten over “Geen pleidooi voor de psychose

  1. Hoi Emy,
    Een goed stuk. Ik heb zelf een langdurige psychose doorgemaakt en ben het met je eens. Treffend vind ik wat je aan het einde van je tekst zegt over de antipsychiaters. ‘Hun enthousiasme voor de psychose is aanstekelijk, maar verraderlijk; een kleine waan.’
    Ik hoop dat jouw belager zich inmiddels psychiatrisch heeft laten behandelen.
    Beste groet, Maarten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s