Mijn zomer aan de antidepressiva

1

Het zal rond half twee ‘s nachts zijn geweest dat ik het tentje dat ik deelde met mijn beste vriendin openritste en naar buiten sloop. Camping Els Prats was donker en stil, maar ietsje verderop, aan de zee, daar was het te doen, daar vierde een groepje Duitse jongeren feest. Ik had die jongeren al geobserveerd op de camping, stuk voor stuk leken zij weggelopen uit een van de high school-series waar ik graag naar keek, uit Heartbreak High of Popular. Ik beklom het trappetje dat naar het strand leidde, hoorde het gelach, zag het flakkerende kampvuur, voegde me bij het groepje, sprak die ene jongen aan met de felle ogen. Hele mooie ogen had die jongen. Die me uitdrukkingsloos aanstaarden terwijl hij zei: ‘No, thank you.’

Wat ik hem precies heb gevraagd weet ik niet meer, of hij met me wilde zoenen of toch iets subtielers. Ik weet nog wel dat zoenen mijn inzet was. Misschien mompelde hij nog iets over een vriendin, misschien niet eens. Het was een totale vernedering, alles wat ik al jaren vreesde dat me zou overkomen.

En het was oké. Ik glimlachte vriendelijk: ‘Geen probleem, ik kon het toch proberen,’ ging terug naar het tentje, kroop mijn slaapzak weer in en viel zonder problemen, zonder tranen, in slaap.

It was the best of times, it was the worst of times, die zomer van 2002 aan de Spaanse kust met het gezin van mijn beste vriendin, die ik hier voor het gemak en de anonimiteit ‘Indiaantje’ zal noemen. (Dat was de bijnaam die zij toen aan zichzelf gaf, om onduidelijke redenen.) Voor het eerst op een vakantie zoende ik met een jongen, met meerdere jongens. Voor de eerste en waarschijnlijk enige keer van mijn leven deed ik mee aan een Missverkiezing. Ik won, werd Miss Camping Els Prats. Met het hele vakantiegezin gingen we naar de Miss en Mister Camping-finale in Barcelona, waar ik danste met de wannabe Misters en een goodiebag met merkparfum meekreeg.

Ondertussen maakte Indiaantjes moeder – een broodmager vrouwtje, haar huid zo goed als verschrompeld door ontelbare uren strand en zonnebank – meerdere toespelingen op het vet op mijn buik. Dat haar eigen dochter een eetstoornis had gehad en dat ze wellicht ook wist van de mijne kon haar niet weerhouden. Indiaantje zelf, niet uitgenodigd door de campingmedewerkers om mee te doen aan de missverkiezing, probeerde een overdosis paracetamol te nemen. Haar moeder gaf mij de schuld. Indiaantje praatte niet meer met me, de vriendschap was over. De Miss Camping-finale verloor ik.

Het gaf niets, het gaf allemaal niets. De paroxetine werkte. Wat zonder pillen genoeg was geweest voor wanhoop, voor mijn eigen aspirine-overdosis, was nu een regenbuitje, hoogstens. Ik zag hoe onredelijk Indiaantjes moeder was. Ik vond dat Indiaantje zich aanstelde en ik was niet van plan mijn vakantie te laten verpesten. Ik was niet dik, niet lelijk, niet slecht. En mocht dat wel zo zijn, dan voelde ik me daar niet slecht bij. Ik voelde me prima. Ik was jong en gezond. Ik was Miss Camping Els Prats.

Ik weet niet of dit is hoe een ‘normale’ zestienjarige zich voelt, ik weet wel dat elke zestienjarige zich zou moeten voelen zoals ik me voelde in de zomer van 2002.

 

2

De antidepressiva – om preciezer te zijn, het antidepressivum met de merknaam Seroxat® – kreeg ik niet voorgeschreven omdat ik depressief was. Een intake-vragenlijst van het RIAGG met circa dertig vragen had uitgewezen dat ik alleen maar ‘somber’ was. Ik verkeerde destijds in de wereld van zwaarweer.nl (een inmiddels opgeheven forum voor neerslachtige jongeren), de wereld van alto’s en emo’s, met Kurt Cobain als icoon en Silverchairs Freak en Radioheads Creep als levensliederen. In de pauzes liep ik naar het dichtstbijzijnde kerkhof om in alle rust Kafka te kunnen lezen. Zoals veel van mijn vrienden sneed ik mezelf. Op de vragenlijst had ik alle items over het heden pessimistisch ingevuld, maar alle items over de toekomst hoopvol. Over zo’n twee jaar zou ik slagen voor mijn eindexamen, op kamers gaan, ver weg van Oss en de mensen daar.

Het antidepressivum kreeg ik voor mijn mensenvrees. Aan Jeugdzorg had ik opgebiecht hoe bang ik was dat de mensen me zouden uitlachen, afwijzen, vernederen. Verlammend bang. Leeftijdsgenoten waren het engst. In het najaar van 2001 had Jeugdzorg me doorverwezen naar het RIAGG, waar ik na zo’n drie maanden wachten een psychologe te zien kreeg die enkele weken naar me luisterde voor ze concludeerde dat praten mij niet verder zou helpen. Of ik pillen wilde.

 

3

Verlegen was ik altijd al, maar op de basisschool was dat nooit een probleem geweest. Klasgenoten vonden me ‘lief’. Mijn problemen begonnen in 2-vwo, toen mijn toenmalige beste vriendin, die ik hier voor het gemak en de anonimiteit ‘Kers’ zal noemen (dat was de bijnaam die zij toen aan zichzelf gaf, naar de smaak van haar lievelingslipgloss), me dumpte. Kers werkte zich binnen de kortste keren op tot het populairste meisje van de klas, van alle vwo-klassen samen. Zij, degene die mij niet moest, was alomtegenwoordig. Ze gaf feestjes waarvoor mijn vriendinnen wel werden uitgenodigd maar ik niet, ze ging naar bed met mijn (toen nog niet uit de kast gekomen) beste vriend, ze zoende zelfs met de jongen voor wie ik een jarenlange onbeantwoorde verliefdheid koesterde.

Waar ik ook mijn toevlucht zocht – in mijn series, in de musicalgroep, in een bandje – ik besefte voortdurend hoe inferieur ik was. Wat ik precies verkeerd had gedaan wist ik niet, dus moest het zo zijn dat ik in het geheel verkeerd was. Niet zo leuk, niet zo grappig, niet zo sexy als Kers.

Daarbij stuwde de jarenlange onbeantwoorde verliefdheid mijn zelfhaat op tot ongekende hoogtes. Mijn liefdesobject, M., was zelf danig getroebleerd. Zijn woede jegens de wereld, die hem een vader had ontnomen, kon hij niet tot nauwelijks onderdrukken. M. trok zich ook weinig aan van het moeizame verliefdhedenscript dat ik zo goed kende uit de high school-series: anders dan de jongens uit de series met hun aanbidsters deden, keek hij niet dwars door me heen, ontkende mijn bestaan niet. Hij leek eerder aanstoot te nemen aan dat bestaan, het actief te willen ontmoedigen. In de loop van 2001 begonnen we te mailen. In het vakje ‘onderwerp’ zette hij songtekstzinnen als ‘I don’t want you and I never did, I don’t want you and I never will.’

 

4

Tegen de tijd dat ik het antidepressivum kreeg, in het voorjaar van 2002, stond ik er veel beter voor dan toen ik door Jeugdzorg werd doorverwezen. M.’s onderwerptitels waren begin 2002 veranderd in ‘I’m sorry I never knew before that you were the one, you are the one.’ Hij vroeg me verkering op een feest in een oude schouwburg, ik droeg een lange rode jurk. Ik had mijn hoogsteigen romantische seizoensfinale gekregen. Even was het geweldig.

Maar al voordat de zomer aanbrak, was het uit. Dat had ik gedaan. Bij nader inzien vond ik het lichtelijk ongeloofwaardig dat M. na al die tijd van onverhulde minachting nu ineens niet meer zonder me zou kunnen. Ik had drie jaar lang naar hem verlangd, maar maakte het zonder schuldgevoel na zes maanden uit. Ik kan me niet herinneren dat ik heb gehuild.

 

5

De laatste tijd zetten experts steeds luider hun vraagtekens bij het toegenomen gebruik van antidepressiva. In een Zembla-uitzending van februari dit jaar vertelden jonge mensen over de suïcidale neigingen die ze ervan kregen. Uit een meta-analyse van 34 studies die de universiteit van Oxford in juni publiceerde kwam naar voren dat jongeren vrijwel altijd meer baat hebben bij therapie dan bij antidepressiva. Het is bekend dat de pillen niet effectief zijn bij milde depressies. Toch blijven huisartsen ze royaal voorschrijven. In de leeftijdsgroep tot 25 jaar slikken ongeveer 45.000 Nederlanders een antidepressivum (CBS StatLine). Daar kun je bijna het Lowlandsterrein mee vullen.

Elke keer als antidepressiva in het nieuws komen, denk ik terug aan 2002 en hoe goed ik me toen voelde. En elke keer vraag ik me dan weer af: kwam het door de dagelijkse hoeveelheid paroxetine dat ik zo zelfverzekerd was, of kwam het vooral doordat de grootste bron van mijn zelfhaat me ineens had overspoeld met liefde? En hoeveel had het feit dat mijn bandje op kleine festivals mocht optreden en dat ik een schoolkrant was begonnen ermee te maken? Het gebeurde allemaal rond dezelfde tijd, oorzaak en gevolg vallen niet meer uit elkaar te halen.

Achteraf gezien had ik het misschien moeten zeggen tegen mijn psychologe, tegen de psychiater: wacht nog heel even. Mensenvrees komt toch grotendeels voort uit negatieve ervaringen. Je kunt nog zo verlegen zijn, als iedereen aardig tegen je is, ontwikkel je waarschijnlijk geen pathologische sociale angst. Misschien had ik moeten zeggen: ik heb nu net de kans op een periode vol aardigheid, wie weet red ik het ook zonder die pillen. Maar ik had ook de kans op gratis drugs. Ik was zestien en alto; natuurlijk greep ik die kans.

Als ik ze alle eer geef, dan zou ik zeggen dat de witte ovale pilletjes met all caps SEROXAT erop me uit de wereld van zwaarweer tilden. Ze veranderden niet welke muziek ik mooi vond, I don’t belong here/ I don’t belong here, maar wel mijn gevoel erbij. Ik voelde niet meer met heel mijn lichaam dat dit de waarheid over mij was. Het was allemaal niet zo erg en zwaar. ’s Ochtends volgde ik gefascineerd mijn vertraagd bewegende handen. Mijn hoofd was een leeg zwembad, naar-de-keel-vliegende angst had haar koffers gepakt. De wereld was zachter en dat was niet beangstigend. Dit waren drugs op doktersrecept. Wie beter wil zien neemt toch ook gewoon een bril, wat zijn dan de bezwaren tegen een pil om mensen beter aan te kunnen?

Het was zo prettig om een kalm hart te hebben.

 

6

Waar ik vooral aan terugdenk in mijn antidepressiva-overpeinzingen is niet zozeer die zomer in Spanje, maar iets wat in het najaar van 2002 gebeurde.

Tegen die tijd had ik een nieuw vriendje, D., een intelligente en bloedmooie metalhead. Hij had het minstens even moeilijk als M., maar hij drukte zijn emoties liever weg, wat een aanzienlijk plezieriger samenzijn opleverde. Op een avond was ik met zijn uitgaansgroepje op weg naar het enige rockcafé van Oss, toen we werden achtervolgd door een groepje jongens. De redenen van de ruzie doen er niet toe (dit was Oss). Wat er wel toe doet: een keffend patsertje (dat inmiddels vast is uitgegroeid tot een vuurwerksmijtende AZC-bestormer) haalde uit om D. te slaan. En ik ging voor hem staan. De vuist van het patsertje kwam op mijn arm terecht – hij schrok er zelf een beetje van.

Eng vond ik het allemaal niet, alleen stompzinnig. Trots voelde ik pas toen we aangifte deden en een politieagent me ‘dapper’ noemde. Zo had ik het nog niet bekeken. Ik was nooit de dappere, ik was altijd de bange, degene die zich tijdens gym moet inhouden niet weg te duiken voor de bal, degene die gaat huilen als een autoriteitsfiguur onverwachts zijn stem verheft. Ineens was ik dapper. Dat kwam, dacht ik, doordat ik zo’n goed vriendje had, iemand van wie ik hield, daardoor kon ik alles aan.

Jaren later, al lang weer van de antidepressiva af, realiseerde ik me: het waren waarschijnlijk de pillen. Als je hart zich rustig houdt, als je hoofd niet raast, als niet alles in je lichaam roept ‘vluchten, nu!’, dan is het is niet zo moeilijk om ‘dapper’ te zijn. Het was een hoogst deprimerende gedachte, een nieuw deeltje van mijn identiteit plofte in elkaar. Wat voor stoere dingen ik ook had gedaan sinds het uitgaansincident, die waren nooit zo moeiteloos geweest, zo vanzelfsprekend.

Nu vraag ik me af: moet het of/of zijn? ‘Ik’ óf de pillen? Kan ik dat niet óók zijn geweest, een deel van mij? Zoals iemand die aangeschoten is ook niet ineens een geheel andere persoon is? Om een eigenschap uit te vergroten moet die wel ergens aanwezig zijn, toch? Ik kom er niet uit, kan die vraag niet beantwoorden. Je bent het verhaal dat je over jezelf vertelt. Ik zou graag vertellen dat ik dapper ben, want kijk: op mijn zestiende heb ik mijn vriendje beschermd in een gevecht. Antidepressiva zijn de stoorzender in mijn verhaal.

 

7                                                   

In de zomer van 2003 was ik van de pillen af, het ging immers zo goed. Tot D. het uitmaakte.

Ik zou naar de universiteit gaan, verhuizen naar Utrecht, D. zou voor de derde keer blijven zitten in 4-havo, blijven zitten in Oss. Hij wilde het afbreken voordat ik dat zou doen. In het rockcafé vertelde hij me dat het over was.

De klap landde onmiddellijk. Ik voelde alles weer en dat voelde goed klote. Ik lag op de bodem van een al te vertrouwde put, kon nauwelijks lang genoeg stoppen met huilen om mijn verhuizing te regelen.

Zo kende ik mezelf weer.

Sterker: zo wilde ik me ook voelen. Er zijn een aantal gebeurtenissen die je volledig wilt meemaken. Ik had al een intense vriendschap en een eerste grote jeugdliefde zien verdwijnen zonder dat het me veel deed. Met deze tweede grote jeugdliefde gebeurde dat niet, het verlies daarvan ervoer ik in al haar jammerlijke glorie.

Gelukkig maar.

En toch, wat de precieze oorzaak ook was, één zomer, één jaar lang, was ik onaanraakbaar.

 

Gepubliceerd in Dik & Zwaarmoedig, het hard//hoofd-zomerboek, op 17 juli 2016.

Illustratie: Merlijn van Bijsterveld

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s