Schetsen van mensen, dingen die voorbijgaan – Parijs, Frankrijk (2013)

1

Als het een baan was, dan zou ik meteen solliciteren. Er is weinig wat zo veel voldoening geeft, zo’n directe bevestiging van je recht om te bestaan. Je hebt er niets voor nodig en je geeft instant geluk: zwaaien naar toeristen op rondvaartboten.

De ideale plek is aan de kade van de Seine, niet te ver van de Notre Dame, tussen de picknickende mensen. Je kunt zelf een picknickend mens zijn, dat is wel zo aangenaam. Elke minuut komen er minstens drie rondvaartboten voorbij. Het zijn vooral de kinderen en de Aziaten op die boten die zwaaien, wat schuchter nog. (Op een of andere manier staan er dan weer weinig Aziatische kinderen.) Zodra je terug begint te zwaaien zie je hun gezichten oplichten alsof ze zojuist de toegangspoort van Disneyland hebben gezien. Hun armbewegingen versnellen zich. Het is een vreugde waar je niet mee moet spotten. Zo simpel kan het zijn om even in enthousiasme verbonden te zijn met iemand die twee seconden later voorgoed uit je leven is verdwenen.

Naast mij zit Catherine, een Australische schrijfster van – ik schat – eind veertig. Zij zwaait niet. Catherine schrijft een boek over een meisje dat in Parijs gaat wonen om de droom van haar moeder te leven. Die moeder komt zelf de deur niet uit. Het meisje belandt in een appartement met een waarzegster. Ik vraag Catherine of ze Parijs een goede stad vindt om in te schrijven. ‘Veel schrijvers raken overrompeld,’ zegt Catherine, ‘te veel indrukken, te veel kunst. Voor mij betekent zo ver van huis zijn juist even rust kunnen krijgen.’ Catherine heeft een ingewikkelde thuissituatie, met een tweede man en volwassen stiefdochters. ‘Ik mis hen, maar niet het drama.’ Op dat moment begint de kade als één Aziatisch kind te juichen en te zwaaien. Er komt een bruidspaar op een boot voorbij. Ik zwaai mee, maar niet harder dan voor de andere toeristen. Catherine kijkt onverstoord voor zich uit. ‘Voor sommige mensen is Parijs te mooi’, zegt ze.

2

Vanaf haar minuscule balkonnetje zwaait een vrouwtje met een vers grijs permanentje naar de metro’s die station Denfert-Rochereau binnenrijden.

3

Het is een dinsdagochtend in juli in Parijs en op het terrein van de universiteit zijn mensen aan het joggen. In Parc Montsouris zijn mensen aan het joggen. Over de Boulevard Jourdan zijn ook, in mindere mate, mensen aan het joggen. Ongetwijfeld zijn nu in de hele stad mensen aan het joggen, maar dit zijn degenen die ik het zie doen. De meesten zien er niet uit alsof joggen hun favoriete bezigheid is. Ze zien eruit alsof dit hetgeen is wat ze van zichzelf moeten doen opdat ze niet naar de sportschool hoeven. Ik ben op mijn dooie gemak op weg naar de supermarkt, kom een multicultureel schoolklasje tegen, hand in hand, en mensen die gekleed zijn voor kantoorbanen maar geen haast maken daar naartoe te gaan. Een zwarte man op slippers schrobt de ruit van een patisserie.

In de supermarkt wordt Pink gedraaid, daarna Katy Perry. Ik zoek naar een middelgrote bak yoghurt, maar yoghurt komt hier – zoals de meeste etenswaren – alleen in formaat klein. Wel uitgebreid in grote hoeveelheden aanwezig is de drank. Wijn heeft haar eigen afdeling en ook zwaardere drank is goed vertegenwoordigd, al zit die laatste categorie in glazen kasten die alleen geopend kunnen worden met behulp van een kassameisje. Hetzelfde geldt voor de scheermesjes, wat doet vermoeden dat hier suïcidale alcoholisten komen die men probeert te ontmoedigen. Eerst langs het kassameisje, haar vragen om die fles whisky. Als je daarbij geen schroom meer voelt, ben je niet meer te redden.

Waarschijnlijk ook niet meer te redden is het zigeunerjongetje in dezelfde straat als de supermarkt. Ik ga er maar vanuit dat het een zigeunerjongetje is, misschien is hij Afghaans, er schijnen in Parijs hordes Afghaanse jongetjes rond te zwerven. Hij zit op een kussentje tegen een muur, leest soms in een boek, voor hem een metalen voederbak voor zijn muntjes. Wellicht wordt hij uitgebuit door een mensenhandelaar, of door zijn ouders. Bij het passeren van dat jongetje het onaangename gevoel en de rationele afweging – die jongen heeft hulp nodig, maar is het geven van een euro hulp of aanmoediging van bedelmigratie? Wat zijn de opties, wat is schadelijker op de korte en de lange termijn? Je zou hem liever chocola geven. (Maar ik gaf ooit een zwerver chocola en hij was daar niet blij mee. Al was dat wel een Nederlandse, volwassen zwerver. Ik heb geen chocola bij me. En is chocola geven nu wel echt moreel verantwoord? Erg voedzaam is het niet en als je nadenkt over wie je uitbuit door chocola te kopen wordt het leven een nog ellendiger en complexer aangelegenheid.) Ik geef het jongetje toch een euro en voel me een oelewapper.

Als ik hem weer passeer begint het jongetje druk te gebaren en te praten, onverstaanbaar voor mij. Ik zeg iets stoms – ‘bonjour’ – en loop verder. Ik neem me voor hem de volgende keer een broodje te geven en misschien zelfs te vragen hoe het komt dat hij hier zit, maar dat komt er niet meer van. Het jongetje is verdwenen.

4

Er grazen geiten in de Jardin des Tuileries. Ik kijk hoe ze grazen terwijl ik onderuitgezakt op een van de vele groene stoelen een broodje geitenkaas eet. Om geitenkaas te maken, schijnen moedergeiten te worden gescheiden van babygeitjes. Ik heb nog niet uitgezocht hoe dit precies zit, omdat ik nog niet zwaarmoedig wil worden van het eten van geitenkaas.

De stoel is geen ligstoel en ook geen rechtopstaande stoel, hij maakt een hoek van zo’n 130 graden, waardoor onderuitgezakt de enige mogelijke houding is. Van sommige handelingen weet je van tevoren dat je de goden aan het verzoeken bent. Ik kan onderuitgezakt geen broodje geitenkaas eten zonder te knoeien. Mijn klunzigheid probeer ik met water uit een flesje te verhullen, wat door de royale opening van het flesje en mijn nog steeds onderuitgezakte houding al snel de vormen van een wet T-shirt contest aan begint te nemen.

Dit blijft niet onopgemerkt door de man naast mij. Of ik het warm heb, vraagt hij. ‘Nee,’ zeg ik, ‘nu ja, ja, maar dat is het niet’, en omdat mijn Frans niet volstaat om deze situatie te verhelderen vraag ik hem of hij Engels spreekt. Hij veert op vanuit zijn hangstoel en barst los: hij is een Franse Australiër, geboren in Parijs, maar toen hij 23 was naar Australië geëmigreerd als één van de veertien Fransen op een enorme boot vol Europese emigranten. Hij kon er aan de slag als elektricien en woont er nu 43 jaar. Ik stel vast dat het hem daar dan wel zal bevallen. ‘Absoluut’, zegt de man. Daniël heet hij. Hij voelt zich er vrijer, vergeleken met Frankrijk is er vrijwel geen bureaucratie en sociale hiërarchie. ‘Iedereen spreekt elkaar daar aan met de voornaam, terwijl het hier nog monsieur voor en monsieur na is. In Australia there’s not so much bullshit. Fransen die praten maar en praten maar, maar ze doen niets. Nee, ik zou niet meer terug willen.’

Vervolgens gaat hij over op de Franse politiek, zijn werk, zijn twee scheidingen en zijn kinderen en kleinkinderen die hem niet op komen zoeken maar dat dat zijn verdiende loon is omdat hij zijn moeder zo veel verdriet deed door te emigreren. We zijn ongeveer een half uur verder als hij een korte pauze neemt die me de gelegenheid biedt beleefd afscheid te nemen. Daniël springt op van zijn stoel om me vier kussen te geven en te roepen ‘I am single, you should come to Australia.’

5

Parijs zal niet de enige plek op aarde zijn waar je mannen met poedels ziet rondlopen, maar het is vast de plek waar je dit het meeste ziet. Het past bij het stereotype beeld van de Parijzenaar als slanke man in roomwit pak met zijden binnenwerk, die met toegeknepen lippen voorzichtig een vork prikt in een ingewikkeld roze gebakje terwijl hij converseert over kunst en literatuur.

Maar de mannen die ik hier met poedels zie voldoen niet aan dat stereotype.

De eerste is een wat oudere man, met loshangende broek, T-shirt en grote bril. Enthousiast gooit hij in een park een tennisbal tegen de heuvel op de lucht in. Zijn zwarte poedel is niet te benepen om erachteraan te rennen en de bal terug te brengen, waarvoor hij elke keer een knuffel krijgt.

De tweede is een beer van een vent, ongeschoren, in spijkerbroek. Hij laat ’s avonds zijn poedel uit op de drukke boulevard Saint-Germain, langs terrasjes en bioscopen waar hij geen aandacht voor heeft.

Wikipedia en Jean-Jacques Dupas, de voorzitter van een Franse poedelclub, laten me weten dat ik de veelzijdigheid van de poedel onderschat. De poedel heeft evenveel te maken met culturele verfijning als met geweld en spel. Ja, je kunt de vacht in leuke vormpjes knippen en ze kunnen prachtig in de maat dansen, maar eigenlijk is het een jachthond, die niet bang is om een nat kapsel te krijgen. Ze worden al sinds de zeventiende eeuw in het leger ingezet, vanwege een speciaal talent voor het terugbrengen van pistolen. En het zijn stiekemerds, deugnieten.

Het bezitten van een poedel is voor de Fransen geen aanslag op hun mannelijkheid, het is de perfecte weerspiegeling ervan.

6

Amerikaanse jongen tegen zijn vrienden in de rij voor het Musée d’Orsay op een genadeloos hete dag: ‘There’d better be some dope art in there.’ Een van zijn vrienden: ‘Yeah, I’ve heard it’s mostly impressionism and shit.’

7

In het Centre Pompidou vallen de mannen. In het midden van de hal staat een zwarte metalen wenteltrap, die ronddraait terwijl de mannen erop omhoog klimmen. Eén tegelijk, in zwarte overall. Zware stappen, ernstige blik.

Er is een Pools uitziende man met een bril, die hij af moet doen voordat hij naar boven gaan, een knappe Noord-Afrikaan die zenuwachtig van de ene op de andere voet wiebelt als hij eenmaal boven is, een gedrongen Indiër die geen krimp lijkt te geven, een schattige smalle jongen die nog geen achttien zal zijn en een veertiger met de gelikte glanzende haardos van een showgoochelaar.

De hele dag lang herhalen ze het ritueel: omhoog klimmen, boven aangekomen een of meerdere rondjes draaien, de plank op, armen spreiden, even wachten, en vallen. Zo’n 15 meter lager ligt een luchtkussen, dat zich na elke opgevangen man een aantal minuten moet herstellen.

Het is hypnotiserend, hoe de mannen klimmen, hoe en of ze twijfelen op het moment vlak voor de val –die veilig is maar toch eng, vanwege het gevoel in je maag, de hoogte, het misschien toch verkeerd terecht kunnen komen en het publiek (dat even ‘ooh’ of ‘aah’ of ‘I want to try that!’ roept en weer verder loopt).

Ik probeer niet te denken aan 9/11 en aan alle andere verwijzingen die Loris Gréard in dit werk heeft gestopt. Een man klimt, een man twijfelt, een man valt.

8

De schoonmaakster reageert dolgelukkig als ik haar, na te hebben geïnformeerd wat de weg is naar de wasmachines, in grammaticaal incorrect Frans vraag hoe ze heet. Eerst vind ik dat ontroerend. Dan, als ik weer alleen ben, schaam ik me voor die ontroering, voor de nergens op gebaseerde status die me zojuist kennelijk is toebedeeld. Wat is dit voor land, waar een vrouw, ouder en wijzer dan ik, blij is dat ik haar naam vraag? En waarom vroeg ik er dan ook naar, was haar dankbaarheid niet stiekem precies wat ik wilde?

9

France is a country for old people.’ Florian Mosca drie maanden geleden. Florian is filmmaker en skater, zesentwintig, komt uit een dorpje in de bergen en woont sinds een jaar in Parijs. ‘Paris is the least open-minded city in the world’, vindt hij. ‘Maar wel een van de mooiste’, opper ik. Florian maakt een afwerend gebaar, al die cultuur kan hem gestolen worden. Hij wil alleen maar een kans om zijn films te kunnen maken, maar hij merkt dat hij nergens tussenkomt. Hij heeft een tijdje in Australië en Zweden geleefd en vond dat het daar voor jongeren makkelijker is. ‘France isn’t all bad,’ geeft hij toe, ‘they have good food. But there’s a time in your life when you just don’t care about what kind of ham you eat.’

Nu zie ik hem weer en loopt hij te grijnzen. We zitten aan de kant van de Seine vlakbij metrostation Stalingrad, drinken bier uit plastic bekers van een hip café dat ooit een fabriek was – Point Ephémère.

Florians reisprogrammaconcept ‘Go With Flo’ is opgepikt door een groot productiebedrijf (een soort Endemol, begrijp ik). Hij krijgt sms’jes van een presentator van reisprogramma’s tegen wie hij opkijkt. Hij mag op feestjes komen met beroemde acteurs en actrices.

I’m in the circle,’ zegt hij, ietwat ongelovig. We toosten erop en roepen het tegen de Seine: ‘You’re in the circle!’ I’m in the circle!’ ‘In the circle!

De Seine schittert onaangedaan in de avondzon. ‘Paris is alright, as long as you’re in the circle,’ zegt Florian.

 

Foto: Emy Koopman

Deze stukjes ontstonden op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s